De UTB … wie zal dat betalen?

Het van groot belang is dat partijen goede afspraken maken en daarna ook bij de juiste rechter procederen.
Door Bart
vrijdag 27 september
Bart

De meeste onderwerpen waar we over schrijven hebben te maken met disputen tussen de overheid en een belanghebbende. Maar ook de diverse partijen onderling hebben natuurlijk geregeld geschillen over douanezaken. Vaak komt daarbij de vraag aan de orde wie verantwoordelijk is voor de betaling van de douanerechten die worden nagevorderd. Het wordt helemaal interessant als een douane-expediteur niet opdracht heeft gekregen van de importeur zelf, maar van een andere tussenpersoon. In deze bijdrage besteden we aandacht aan twee uitspraken in het civiele recht. Uit deze uitspraken blijkt eens te meer dat het van groot belang is dat partijen goede afspraken maken en daarna ook bij de juiste rechter procederen.

Wie is opdrachtgever?

De eerste uitspraak is op 24 februari 2016 door de Rechtbank Den Haag gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2016:2481). Daarbij doet Donex Shipping and Forwarding BV aangiften (voor EUR 33,75 per zending), is Windhorst Transport de tussenpersoon en een niet met name genoemde VOF de importeur.

De relatie tussen de drie partijen bestaat al meer dan 15 jaar. De aangiften zijn op eigen naam en voor eigen rekening gedaan door Donex. Bij een controle achteraf, blijken ten onrechte geen antidumpingheffingen te zijn betaald. De Douane legt de navordering op bij Donex voor een bedrag van EUR 970.468. Dit bedrag wordt door Donex ook voldaan.

Donex spreekt vervolgens Windhorst als haar opdrachtgever aan. Windhorst stelt echter dat zij in deze niet als opdrachtgever heeft te gelden. De Rechtbank gaat daar echter niet in mee en oordeelt dat:

- Het op de weg van Windhorst als “contact” ligt om duidelijkheid te geven over zijn hoedanigheid en uit te sluiten dat Windhorst als opdrachtgever kan worden gezien;
- Facturatie steeds plaatsvond aan Windhorst en deze de facturen ook heeft betaald;
- Windhorst weliswaar opdracht gaf “op naam van VOF”, maar hier niet uit bleek dat Windhorst onmiddellijk en niet middellijk vertegenwoordiger van de VOF was;
- Het feit dat Windhorst stelt slechts een faciliterende en regelende rol heeft, hierin geen invloed heeft.

Het feit dat de tussenpersoon slechts een faciliterende en regelende rol heeft, heeft geen invloed op de vraag of hij opdrachtgever is.

De Rechtbank concludeerde dus uiteindelijk dat Windhorst in deze als opdrachtgever kwalificeerde. Dat betekent tevens dat de VOF niet als (directe) opdrachtgever is aan te wijzen en dus ook niet direct aansprakelijk kan zijn.

Wie is aansprakelijk voor de douaneschuld?

Betekent het feit dat Windhorst als opdrachtgever wordt gezien dan ook dat Windhorst aansprakelijk is voor de betaling van de douaneschuld aan Donex?

De Rechtbank overweegt in dit kader dat artikel 17 lid 7 van de FENEX-condities hierin duidelijk is. De opdrachtgever is gehouden tot betaling van de rechten en interest. Dat vloeit ook voort uit artikel 7:406 BW.

Dat zou slechts anders zijn als aan Donex valt toe te rekenen dat de antidumpingheffing is verschuldigd. Nu dat zeker niet het geval is, is Windhorst op grond van artikel 11 FENEX-condities gehouden tot betaling.

En de importeur dan?

Blijft de importeur dan volledig buiten schot? Uit dezelfde uitspraak blijkt dat niet het geval te zijn. Naast de procedure die Donex tegen Windhorst en de VOF heeft aangespannen, heeft Windhorst namelijk ook de procedure tegen de VOF gevoerd.

Windhorst vordert in deze procedure dan ook dat de VOF wordt veroordeeld tot betaling van al hetgeen Windhorst aan Donex moet betalen.

De Rechtbank overweegt dat de VOF wist dat de aangiften werden gedaan en dat Windhorst namens de VOF hiervoor opdracht gaf. Daarom komt de UTB, op grond van artikel 7:414 BW, voor rekening van de VOF. De VOF moet dus daarom het bedrag aan Windhorst betalen.

Eind goed al goed?

Deze twee conclusies in acht genomen – Windhorst moet aan Donex betalen en de VOF moet aan Windhorst betalen – lijkt dit dossier alsnog tot een goed einde te komen. Juridisch gezien zal dat ook wel zo zijn. Maar of het in de praktijk ook naar wens verloopt, is nog maar de vraag.

Want wat als de VOF niet in staat is om het bedrag aan Windhorst te betalen? Dan is Windhorst wel gehouden tot betaling, maar krijgt zij effectief toch niet het geld van de VOF. Of wat als de VOF wel betaalt aan Windhorst, maar Windhorst verkeert inmiddels in een faillissement? Dan zal het bedrag van de VOF in de boedel vallen en is het nog maar de vraag of Donex het bedrag zal krijgen. Daarbij geldt wel dat als Donex “toegelaten douane-expediteur” is, zij de hoogste crediteurenpositie (na de Belastingdienst) heeft.

Het gaat uiteindelijk om de vraag of de partij die moet betalen, ook wel in staat is om te betalen.

Ik ken de feiten in deze niet, maar het moge wel duidelijk zijn dat er nog steeds grote risico’s gemoeid zijn bij het doen van aangiften op eigen naam en voor eigen rekening. Daarbij is het prettig dat de juridische werkelijkheid in het voordeel van de douane-expediteur en in tweede instantie de tussenpersoon is, maar het gaat uiteindelijk om de vraag of de partij die moet betalen, ook wel in staat is om te betalen.

Een minder succesvolle casus

Een andere interessante uitspraak over de vraag of een douaneschuld wel of niet kan worden geclaimd, is de uitspraak in kort geding van de Rechtbank Rotterdam van 15 maart 2015 (ECLI:NL:RBROT:2016:1952).

In deze zaak zijn vier partijen betrokken:
- Eiser 1 (douane-expediteur) gevestigd te Rotterdam
- Eiser 2 (expediteur) gevestigd te Antwerpen, België
- Gedaagde 1 (verzender) gevestigd te Dardilly, Frankrijk
- Gedaagde 2 (ontvanger) gevestigd te Amsterdam

De expediteur heeft aan de douane-expediteur opdracht gegeven om aangiften te doen voor monitoren. Ook nu weer blijkt bij een controle achteraf dat een hoger bedrag verschuldigd is. De Douane stelt daarbij zowel de douane-expediteur alsook de expediteur aansprakelijk. Beide partijen zijn dus hoofdelijk aansprakelijk. Uiteindelijk heeft de expediteur de UTB’s betaald.

De positie van de douane-expediteur

Hoewel de douane-expediteur niet direct een probleem heeft, voorziet deze wel dat als de Douane in bezwaar (of later de rechter) zou oordelen dat de expediteur toch niet medeaansprakelijk is, zij alsnog de douaneschuld moet afdragen. Dat is ook de reden waarom zij beide gedaagden aansprakelijk stelt en de voorzieningenrechter heeft verzocht om hen tot betaling te veroordelen.

Daar denkt de voorzieningenrechter echter geheel anders over. De rechter overweegt dat door de douane-expediteur geen schade is geleden nu de expediteur de UTB’s heeft voldaan. Dat lijkt me op zichzelf juist. Daarnaast ligt het –zo overweegt de rechter – ook niet in de rede dat de Douane de betaling door de expediteur in tweede instantie niet zou accepteren en zich tot de douane-expediteur zou wenden.

Dit standpunt lijkt mij pertinent onjuist. Immers, wanneer de expediteur alsnog niet hoeft te betalen omdat hij niet als medeschuldenaar kan worden aangemerkt – en die kans is zeker reëel – dan is de douane-expediteur alsnog de enige schuldenaar.

Conclusie is in ieder geval dat de voorzieningenrechter de vorderingen van de douane-expediteur afwijst.

De positie van de expediteur

Ook de expediteur heeft in deze procedure gevorderd dat de beide gedaagden worden veroordeeld tot betaling. Dat ligt ook wel in de rede, zo zou je verwachten, nu de expediteur de douaneschuld heeft betaald, maar de aangiften uiteraard geen betrekking hebben op goederen die voor de expediteur waren bedoeld. De zaak loopt echter geheel anders!

Voor wat betreft de verzender van de goederen (gedaagde 1), die in Frankrijk is gevestigd, concludeert de rechter dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt. Op basis van de geldende regels – onder meer de EEX-verordening maar ook de Belgische expeditievoorwaarden – moet niet in Nederland worden geprocedeerd, maar in België. De vordering van de expediteur op de verzender wordt dan ook afgewezen.

Dan is de hoop uiteindelijk gevestigd op de ontvanger (gedaagde 2) van de goederen die wel in Nederland is gevestigd, namelijk in Amsterdam.

De voorzieningenrechter concludeert voor deze relatie dat de Nederlandse rechter wél bevoegd is. Echter, omdat de ontvanger niet in Rotterdam is gevestigd maar in Amsterdam, is niet de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam bevoegd, maar de voorzieningenrechter van Rechtbank Amsterdam.

Dus ook de vorderingen van de expediteur worden afgewezen.

Conclusie

Uit deze twee uitspraken blijkt wel hoe belangrijk het is dat goede afspraken worden gemaakt tussen de diverse partijen. Ook volgt uit de uitspraken wel hoe snel het fout kan gaan. Indien u meer informatie wenst over dit onderwerp, dan is Customs Knowledge hierbij graag uw gesprekspartner. Voor meer informatie neem contact op via bart.boersma@customsknowledge.nl.

Hoewel aan de totstandkoming van deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaardt Customs Knowledge geen aansprakelijkheid voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch voor de gevolgen hiervan. Dit artikel is niet bedoeld als een specifiek advies. Zie in dit kader ook de Algemene Voorwaarden van Customs Knowledge BV.