Douanevervoer: wat is nu nog een onttrekking aan douanetoezicht?

Wat nu als de vervoerstermijn wordt overschreden. Is er dan sprake van een onttrekking of van het niet voldoen aan bijzondere verplichtingen? In dit artikel gaan we in op de recente jurisprudentie van het Hof van Justitie in de zaak X BV en de zaak SEK Zollagentur.
Door Bart
26 september 2019
Bart

Er zijn verschillende belastbare feiten waar een douaneschuld uit ontstaat. Bij douanevervoer of een andere schorsingsregeling kan een douaneschuld ontstaan, wanneer de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken. Maar ook als gevolg van het niet voldoen aan de verplichtingen van de regeling. Wat nu als de vervoerstermijn wordt overschreden. Is er dan sprake van een onttrekking of van  het niet voldoen aan bijzondere verplichtingen? En is dat verschil nog relevant? In dit artikel gaan we in op de recente jurisprudentie van het Hof van Justitie in de zaak X BV en de zaak SEK Zollagentur.

Artikel 203 of 204 CDW?

Een douaneschuld kan op verschillende manieren ontstaan. Zo is in artikel 201 CDW vastgelegd dat een douaneschuld ontstaat als goederen in het vrije verkeer worden gebracht en in 202 CDW als goederen op onregelmatige wijze worden binnengebracht, ofwel smokkel. Op grond van artikel 203 CDW ontstaat een douaneschuld als goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken, terwijl artikel 204 CDW de juridische grondslag vormt, als niet wordt voldaan aan de verplichtingen van de douaneregeling. Zo zijn er nog meer belastbare feiten, vastgelegd in artikel 205 en volgende.

Artikel 204 CDW alleen van toepassing zonder onttrekking aan douanetoezicht.

Artikel 203 (onttrekking aan het douanetoezicht) en artikel 204 CDW (niet voldoen aan verplichtingen) gelden als grondslag voor het ontstaan van een douaneschuld bij douanevervoer. Maar de beide artikelen zijn niet inwisselbaar. Integendeel, op grond van jurisprudentie blijkt dat eerst moet worden vastgesteld dat er geen sprake is van een onttrekking en dat pas dan artikel 204 CDW in het zicht komt.

Waarom is het onderscheid eigenlijk van belang? Want of de douaneschuld nu ontstaat op grond van het ene of het andere artikel, betaald moet er toch worden. Dat ligt echter toch wat genuanceerder, nu bij artikel 204 CDW een en ander kan worden gerepareerd, hetgeen niet bij artikel 203 CDW van toepassing. Wanneer een douaneschuld ontstaat omdat niet aan de verplichtingen is voldaan, kan namelijk nog worden gekeken of er sprake is van een verzuim zonder werkelijke gevolgen, zoals bedoeld in artikel 859 TCDW.

Artikel 859 TCDW; strikte toepassing

Als artikel 204 CDW dus van toepassing is, dan kan aanvullend worden vastgesteld gekeken of de douaneschuld toch niet is verschuldigd. Er moet dan sprake zijn van een zogenoemd verzuim zonder werkelijke gevolgen. Dit artikel vereist  dan wel dat wordt voldaan aan de volgende vier criteria:

  • Er is geen sprake van een poging tot onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht;
  • Er mag geen sprake zijn van duidelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende;
  • Alle formaliteiten voor het regulariseren van de situatie van de goederen moeten alsnog zijn vervuld;
  • Er is sprake van een situatie zoals bedoeld in de paragrafen 1 tot en met 10 in artikel 859 TCDW.

Het zal duidelijk zijn dat alleen een situatie die expliciet wordt genoemd in artikel 859 paragraaf 1 tot en met 10 CDW kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van een verzuim zonder werkelijke gevolgen. Het betreft veelal situaties waarbij termijnen niet zijn nageleefd, (nog) geen toestemming door de douane was verleend om bepaalde handelingen uit te voeren of bijvoorbeeld de aanzuiveringsafrekening te laat is ingediend. Daarnaast gelden dan nog cumulatief de andere drie criteria.

Gevolg is dat wanneer artikel 859 TCDW daadwerkelijk kan worden toegepast, eerst dus een douaneschuld op grond van artikel 204 CDW ontstaat, maar deze alsnog wordt ongedaan gemaakt omdat er sprake is van een verzuim zonder werkelijke gevolgen.

Maar wat is een onttrekking?

Nu is het wel aardig om te weten dat artikel 204 CDW niet kan worden toegepast wanneer er sprake is van een onttrekking, maar de vraag blijft dan natuurlijk wat een onttrekking is. In de wet is dat geheel niet vastgesteld en we moeten dus de jurisprudentie raadplegen om hier een antwoord op te krijgen. Die jurisprudentie dateert van enige tijd geleden en de basis is vastgelegd in het arrest Wandel (2001) en het arrest Liberexim (2002).

Op basis van het arrest Wandel moet een onttrekking aan het douanetoezicht zoals bedoeld in artikel 203 CDW worden opgevat als “elk handelen of nalaten als gevolg waarvan de bevoegde douaneautoriteit, zelfs slechts tijdelijk, de toegang wordt belemmerd tot onder douanetoezicht staande goederen en wordt belet de in artikel 37, lid 1, van het douanewetboek bedoelde controles uit te voeren”.

Maar wat nu als de Douane tijdelijk het toezicht niet kan uitvoeren, maar later de goederen alsnog onder douanetoezicht worden geplaatst? Ofwel populair gezegd er is sprake van een tijdelijke onttrekking. Uit het arrest Liberexim blijkt dat het tijdelijk karakter niet relevant is. Ooit een onttrekking, blijft een onttrekking.

En is er sprake van een onttrekking als de goederen niet bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht? Dat antwoord ligt enigszins genuanceerd. Als hierdoor geen enkele verklaring door de douaneautoriteiten kan worden gegeven over “het lot” van de douanegoederen, heeft dit inderdaad een onttrekking tot gevolg. Probleem is echter dat dit bewijs aan strikte regels is gebonden. Want dit bewijs kan, zoals uit artikel 366 TCDW blijkt, alleen worden geleverd met gebruikmaking van een beperkt aantal soorten bescheiden. In ieder geval moet het gaan om een douanebescheid of een door de douaneautoriteiten geviseerd of gewaarmerkt document.

Maar wat is nu aan de hand, als de goederen buiten de vervoerstermijn worden aangeleverd?

Arrest X BV (aanbrengen buiten vervoerstermijn)   

Van een zulke situatie is sprake bij het arrest X BV van het Hof van Justitie van 15 mei 2014. In dit geval deed X op 26 oktober 2005 een aangifte voor douanevervoer van een dieselmotor. De uiterste datum waarop de motor bij het kantoor van bestemming moest worden aangebracht was 28 oktober 2005. Uiteindelijk is de motor wel bij het kantoor van bestemming aangebracht, maar pas op 14 november 2005, dus 17 dagen te laat. De goederen zijn toen onder de schorsingsregeling actieve veredeling geplaatst.

Omdat de Nederlandse Douane had vastgesteld dat het douanevervoer niet naar behoren was beëindigd, heeft deze gesteld dat er sprake was van een niet-zuivering zodat een douaneschuld ontstond op grond van artikel 203 CDW.

In beroep oordeelde de Rechtbank en in hoger beroep de Douanekamer (van het Hof Amsterdam) dat de inspecteur geen gelijk had dat er sprake was van een onttrekking, maar dat een douaneschuld ontstond op grond van artikel 204 CDW. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld waarop het Hof van Justitie in zijn arrest C-480/12 heeft geoordeeld dat de enkele overschrijding van de vervoerstermijn niet leidt tot een douaneschuld wegens het onttrekken van de goederen aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203 CDW. Wel ontstaat een douaneschuld op grond van artikel 204 CDW, maar deze is dan niet verschuldigd wanneer aan de voorwaarden van artikel 859 TCDW is voldaan.

De zaak is nu dus weer “terug” bij de Hoge Raad die de Advocaat-Generaal heeft verzocht om een conclusie. Deze conclusie is recent gepubliceerd en de einduitspraak lijkt – op basis van die conclusie – niet erg hoopgevend. De AG komt namelijk tot de conclusie dat geen omstandigheden zijn aangevoerd ter rechtvaardiging van het tijdsverloop en dat niet kan worden gezegd dat de termijnoverschrijding redelijk was. Dat betekent dat het verzuim niet zonder werkelijke gevolgen is gebleven en dat douanerechten verschuldigd zijn, aldus voorlopig de AG.

Arrest SEK-Zollagentur

Een ander recent en interessant arrest is het arrest SEK-Zollagentur van 12 juni 2014, C-75/13. De feiten waren als volgt. Een zending fietsdragers werd vanuit tijdelijke opslag onder de regeling douanevervoer geplaatst. Hiervoor werd een aangifte douanevervoer ingediend en de goederen werden vrijgegeven. Toen de vervoerder deze en andere goederen ophaalde, konden de fietsdragers niet worden gevonden. Het document werd echter wel door de vervoerder meegenomen, zodat bij aankomst van de (andere) zendingen door de ontvanger werd geconstateerd dat de fietsdragers niet bij de zendingen zaten, wat hij meldde bij het douanekantoor van bestemming. Later werden de fietsdragers alsnog met douanevervoer overgebracht en werden ook de rechten bij invoer afgedragen.

De Duitse Douane concludeerde inzake de eerste aangifte voor douanevervoer dat er sprake was van een onttrekking. Immers, zo stelde de Douane, de goederen en het document waren gescheiden, hetgeen kwalificeert als een onttrekking.

Belanghebbende, was van mening dat geen douaneschuld ontstond, omdat de procedure voor douanevervoer pas begint wanneer de goederen daadwerkelijk bij de opslaghouder worden opgehaald.

Op basis van de ratio dat de goederen die de eerste keer voor douanevervoer werden aangegeven niet in het vrije verkeer zijn gekomen zonder betaling van rechten – immers later zijn ze regulier in het vrije verkeer gebracht en zijn de rechten betaald – zou ik denken dat er effectief geen risico – ofwel gevolg – bestaat. Het Hof concludeert echter anders, er ontstaat een douaneschuld omdat de goederen zijn onttrokken aan het douanetoezicht. Deze onttrekking vindt volgens het Hof plaats door het tijdelijk wegnemen van het document voor douanevervoer van de goederen die daarin zijn vermeld. Hierdoor werd immers, zo vindt het Hof, de bevoegde douaneautoriteit, al is het maar tijdelijk, de toegang belemmerd tot de goederen en belet de in de douanewetgeving voorziene controles uit te voeren. Daarbij volstaat, wederom volgens het Hof, dat aan een aantal objectieve voorwaarden is voldaan, zoals de fysieke afwezigheid van de goederen op de toegelaten opslagplaats op het moment waarop de douaneautoriteit deze wenst te inspecteren. Hierbij is niet relevant of deze controles daadwerkelijk door de bevoegde autoriteit zijn verricht.

Zeker het arrest SEK Zollagentur levert een onbevredigend resultaat.

Conclusie & meer informatie

De jurisprudentie levert wat mij betreft een enigszins diffuus beeld. Ingeval goederen twee weken lang “weg zijn” en niet worden aangebracht is er geen sprake van een onttrekking, terwijl wanneer vaststaat dat voor de goederen daadwerkelijk rechten bij invoer zijn betaald, de (theoretische) scheiding van document en goederen een onttrekking levert. Zeker het arrest SEK Zollagentur levert een onbevredigend resultaat. De oorzaak hiervan ligt in het feit dat nog steeds gebruik wordt gemaakt van de `traditionele criteria´ uit het arrest Wandel, terwijl de wereld er inmiddels wel echt anders uitziet.

Eén ding is in ieder geval wel duidelijk, kleine foutjes kunnen grote gevolgen hebben. Om dit te voorkomen, helpt Customs Knowledge u graag en professioneel om zulke situaties te voorkomen en zo nodig hierover te procederen. Voor vragen of opmerkingen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Bart Boersma (bart.boersma@customsknowledge.nl).

Hoewel aan de totstandkoming van deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaardt Customs Knowledge geen aansprakelijkheid voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch voor de gevolgen hiervan. Dit artikel is niet bedoeld als een specifiek advies. Zie in dit kader ook de Algemene Voorwaarden van Customs Knowledge BV.