Verwerpen van de transactiewaardemethode – dat kan niet zomaar!

Kan de inspecteur de aangegeven douanewaarde zomaar verwerpen? In deze publicatie gaan wij hier verder op in.
Door Bart
24 september 2019
Bart

Wanneer de Douane, bijvoorbeeld naar aanleiding van een controle, van mening is dat in tegenstelling tot hetgeen de aangever heeft aangevoerd, de transactiewaarde van de ingevoerde goederen niet kan dienen om de douanewaarde te bepalen, kan de inspecteur de aangegeven waarde niet zomaar verwerpen. In de wetgeving zijn nadere regels hieromtrent vastgelegd. In deze bijdrage leggen wij uit hoe deze moeten worden geïnterpreteerd.

Mogelijkheden en regels voor de inspecteur

Voor de berekening van de douanewaarde wordt in veel gevallen de transactiewaarde van de ingevoerde goederen als uitgangspunt gebruikt. In sommige gevallen echter is die transactiewaarde niet reëel. Bijvoorbeeld doordat er sprake is van verbondenheid of dat er geen reële transactie ten grondslag ligt. De douanewaarde zal dan op basis van een andere methode moeten worden gebaseerd.

De mogelijkheid voor de Douane om de transactiewaarde te verwerpen was eerder vastgelegd in artikel 181bis TCDW. Hieruit bleek dat de douaneautoriteiten de douanewaarde van ingevoerde goederen niet op basis van de methode van de transactiewaarde hoeven vast te stellen als zij wegens gegronde twijfel niet ervan overtuigd zijn dat de aangegeven waarde met de totale betaalde prijs overeenkomt. In dat geval moest echter wel de procedure van het tweede lid worden gevolgd. De Douane kon om aanvullende informatie vragen. Indien de twijfel vervolgens bleef bestaan, moesten de douaneautoriteiten, alvorens zij een definitieve beslissing namen, de betrokkene eerst in kennis stellen van de redenen voor die twijfel en de belanghebbende een redelijke gelegenheid bieden om daarop te antwoorden. Pas daarna werd een definitieve beslissing genomen.

Ook in de nieuwe wetgeving is een dergelijke bepaling opgenomen, namelijk in artikel 140 UVo.DWU. Hierin is eveneens vastgelegd dat wanneer de douaneautoriteiten gegronde twijfels hebben of de aangegeven transactiewaarde overeenstemt met het totale betaalde of te betalen bedrag, zij de aangever om aanvullende informatie kunnen vragen. Wanneer vervolgens de twijfels van de Douane niet worden weggenomen, kunnen de douaneautoriteiten besluiten dat de waarde van de goederen niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 70 lid 1 DWU. In plaats van de drietrapsraket die bestond op basis van artikel 181bis TCDW, kent het proces nu dus nog maar twee fasen.

Kan de Douane de methode in elke fase verwerpen?

Nog steeds blijft dan de vraag opportuun, in welke fase de douaneautoriteiten deze stelling kunnen innemen. Kan dat uitsluitend op het moment dat de aangifte wordt aanvaard, of is dat ook mogelijk ten tijde van een controle achteraf? Inmiddels zijn diverse interessante uitspraken verschenen waarin deze vraag wordt beantwoord.

Omdat voorlopig nog een groot deel van de procedures wordt gevoerd en de aangiften achteraf worden gecontroleerd op grond van de bepalingen van het CDW, is de “oude” jurisprudentie in dit kader nog wel enige tijd relevant. Het woord “oud” is overigens niet geheel juist, want zeer recent zijn weer uitspraken gedaan hierover. Ook is ten tijde van het schrijven van dit artikel nog een procedure aanhangig bij de Hoge Raad der Nederlanden. Omdat het niet-aanvaarden van de transactiewaarde ook mogelijk is onder het DWU, zal deze toch in ieder geval zijdelings ook relevant zijn voor de toepassing van artikel 140 UVo.DWU.

De problematiek ziet op het feit dat de douanewetgeving de douaneautoriteiten de mogelijkheid biedt om de transactiewaardemethode te verwerpen. Het komt er, in het kort, op neer dat als de Douane gegronde twijfel heeft over de (hoogte van de) douanewaarde, zij de aangever kan verzoeken om nadere informatie en als zij dan nog niet wordt overtuigd, ze de douanewaarde op basis van de transactiewaardemethode kan verwerpen. Eigenlijk geldt er dan dus omkering van de bewijslast. Deze mogelijkheid berustte eerder op artikel 181bis TCDW, maar ook in het DWU is deze mogelijkheid (ietwat anders) teruggekomen, namelijk in artikel 140 UVo.DWU.

De vraag is echter of dit mogelijk is in de fase nadat de verificatie is beëindigd. De aangever is dan namelijk vaak niet meer in staat om alle mogelijke informatie aan te leveren.

De aangever is vaak niet meer in staat om alle informatie aan te leveren.

De Rechtbank Noord-Holland (Haarlem) had eerder in 2013 geoordeeld dat de Douane artikel 181bis TCDW inderdaad ook na het einde van de verificatie, dus bijvoorbeeld bij een CNI, mag gebruiken. Het ging daarbij om lagewaardezendingen textiel. De Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft daar op 3 november 2015 echter een einde aan gemaakt (ECLI:NL:GHAMS:2015:4754). Het Hof oordeelde:

“Naar ’s Hofs oordeel vormt de omstandigheid dat de aangegeven transactiewaarden lager zijn dan bepaalde door de inspecteur aangehaalde gemiddelde prijzen (o.a. de gemiddelde prijs van alle aangiften voor de desbetreffende goederencode in het geautomatiseerde systeem van de douane en de gemiddelde prijs volgens de handelsstatistieken van het CBS) zelfs geen begin van bewijs dat de aangegeven transactiewaarden onjuist zijn. Uitgaande van een normale verdeling zal immers de helft van alle transactiewaarden zich onder het gemiddelde bevinden.”

Steekt het Hof van Justitie er een stokje voor?

De reeks met jurisprudentie over artikel 181bis TCDW is hiermee echter nog lang niet ten einde. Ook het Hof van Justitie heeft namelijk een uitspraak hierover gedaan naar aanleiding van prejudiciële vragen van een Hongaarse rechtbank (arrest van Hof van Justitie van 16 juni 2016, EURO 2004 Hungary Kft., zaak C-291/15, ECLI: EU:C:2016:455). Dit arrest is, zo meen ik, wel een verrassend arrest! Dat is een kwalificatie die wellicht niet heel gebruikelijk is om bij arresten van het Hof van Justitie te plaatsen, maar ik zal dat toelichten.

Kortweg gesteld gaat het om – ook in dit geval – de invoer van textiel (katoenen ovenwanten en geweven microvezeldoeken) uit China. De zending werd aangegeven voor – omgerekend – EUR 8.288. Hoewel de aangever diverse stukken had overgelegd waaruit die waarde bleek – zoals de factuur en het stortingsbewijs – vonden de douaneautoriteiten in Hongarije de douanewaarde laag, zelfs te laag. Zij kwamen tot die conclusie, omdat de statistisch gemiddelde waarde van soortgelijke goederen hoger was. Daarom koesterden zij dus twijfel ten aanzien van de juistheid van de douanewaarde van de goederen. Deze statistische informatie was de enige informatie tegenover de informatie van de aangever. Enige andere omstandigheden of indicatie voerde de Douane niet aan.

Uiteindelijk concludeert het Hof van Justitie dat wanneer douaneautoriteiten twijfel hebben en deze niet wordt weggenomen, dit rechtvaardigt dat artikel 181bis TCDW wordt toegepast. Daarbij concludeert het Hof van Justitie wel dat het aan de nationale – dus de Hongaarse – rechter is om vast te stellen “om na te gaan of de twijfel van de Douane in het hoofdgeding gegrond was en het gebruik van die vervangende methoden rechtvaardigde, alsmede of de Douane de betrokkene een redelijke gelegenheid bood om te reageren op de redenen voor die twijfel.”

Overigens is de conclusie van het Hof dat er een verschil is van meer dan 50% (r.o. 38) onbegrijpelijk. De aanvankelijke douanewaarde was namelijk EUR 8.288 en deze is verhoogd tot EUR 9.676. Dat is een verhoging van 17%. Waar het verschil van 50% dan vandaan komt, blijkt niet uit het arrest.

Het EURO 2004 Hungary Kft-arrest is alles bij alles naar mijn mening niet veelzeggend. Het Hof van Justitie bevestigt immers slechts dat als er twijfel bestaat artikel 181bis TCDW kan worden gehanteerd. Dat is iets wat ook uit het artikel zelf al blijkt. Het is wel een gemiste kans dat het Hof van Justitie zo eenvoudig omgaat met de reden van twijfel, meer specifiek het feit dat een statistisch gemiddelde lagere prijs dan de gehanteerde prijs al voldoende reden zou kunnen zijn voor twijfel. Ook bij een verschil van 50% ben ik van mening dat dit helemaal niet vreemd hoeft te zijn. Immers, een goedkoop T-shirt van een prijsvechter van zeg EUR 1 en een duur merk T-shirt van EUR 49 maakt een gemiddelde van EUR 25. Wanneer nu een T-shirt van EUR 10 ten invoer wordt gegeven, heeft deze dus een prijs van minder dan 50% van het statistisch gemiddelde. Terwijl deze prijs vele malen hoger ligt dan de waarde van de eerdergenoemde T-shirts van een prijsvechter.

Mijns inziens had het Hof van Justitie hierover meer kritisch mogen en moeten zijn. Wellicht dat de conclusie moet worden getrokken dat goede juristen geen goede statistici zijn.

Het EURO 2004 Hungary Kft-arrest is alles bij alles naar mijn mening niet veelzeggend.

Ik merk overigens op dat deze uitspraak betrekking heeft op de situatie waarbij tijdens de verificatie twijfels bij de douanewaarde ontstaan. Er is dus geen oordeel gegeven over de situatie waarbij een controle achteraf en boeking achteraf plaatsvindt. Het was handiger geweest als het Hof van Justitie zich hier explicieter over had uitgelaten, want inmiddels is duidelijk dat de Rechtbank Noord-Holland meent dat op basis van dit arrest artikel 181bis TCDW ook kan worden gehanteerd bij een controle en boeking achteraf. Kort na die uitspraak heeft de Douanekamer echter een ander standpunt ingenomen. Beide uitspraken zal ik hierna behandelen.

Rechtbank Noord-Holland: 181bis is wel mogelijk bij controle na invoer

Het arrest EURO 2004 Hungary Kft heeft uiteraard ook zijn weerslag op de nationale jurisprudentie. In een procedure die wij voeren met betrekking tot de verhoging van de douanewaarde met toepassing van artikel 181bis TCDW voor textiel uit China – een andere procedure dan die waar ik eerder naar verwees en het wachten is op een arrest van de Hoge Raad – was ook in geschil of artikel 181bis TCDW kon worden toegepast.

Voorafgaand aan de uitspraak van de Rechtbank op 7 november 2016 (niet gepubliceerd) vonden onder meer op 13 november 2014, 19 augustus 2015 en 4 april 2016 hoorzittingen plaats. Hoewel tijdens die hoorzittingen het arrest in de zaak EURO 2004 Hungary Kft nog geheel niet bekend was, heeft de Rechtbank in haar uitspraak wel haar oordeel haast uitsluitend op de inhoud van dit arrest gebaseerd.

De Rechtbank stelt onder meer:

“32. De rechtbank is van oordeel dat de procedure van artikel 181 bis van de TCDW van toepassing is in het kader van een controle na invoer. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van het HvJ van 16 juni 2016, zaak C-291/15 (EURO 2004. Hungary Kft.), ECLI:EU:C:2016:455. In die zaak is in het kader van een controle na invoer toepassing gegeven aan artikel 181 bis van de TCDW. Dat dit heeft plaatsgevonden in het kader van een controle na invoer en niet in het kader van de verificatie van de aangifte leidt de rechtbank af uit het feit dat het HvJ bij de toepasselijke bepalingen artikel 78 en niet artikel 68 van het CDW aanhaalt en uit de overwegingen 10 en 11 van het arrest van het HvJ. De prejudiciële vragen van de Hongaarse rechter betreffen de uitleg van artikel 181 bis van de TCDW niet van toepassing zou zijn in het kader van een controle na invoer, het HvJ dit met zoveel woorden zou hebben overwogen omdat de verwijzende rechter dan geen belang zou hebben gehad bij de beantwoording van de prejudiciële vragen. Uit het feit dat het HvJ de prejudiciële vragen beantwoordt, leidt de rechtbank af dat artikel 181 bis van de TCDW ook van toepassing is na de beëindiging van de verificatie.”

Samengevat komt de Rechtbank dus tot de conclusie dat artikel 181bis TCDW wél kan worden toegepast in het kader van een controle na de invoer. Ik plaats grote vraagtekens bij de juistheid van dit oordeel. Een uitgebreide toelichting en aandacht in deze is echter niet nodig, want inmiddels heeft de Douanekamer ook al uitspraak in een andere zaak gedaan, waarbij een oordeel wordt gegeven dat haaks staat op het oordeel van de Rechtbank en naar onze mening rechtens wel juist is.

Douanekamer Gerechtshof Amsterdam: artikel 181bis toch niet mogelijk

De kritische lezer vraagt zich waarschijnlijk af waarom de nationale jurisprudentie na het arrest EURO 2004 Hungary Kft niet in chronologische volgorde wordt geschetst. Ik heb dat bewust gedaan omdat de onderhavige uitspraak van de Douanekamer pas later dan voornoemde uitspraak van de Rechtbank werd gepubliceerd. Het betreft de uitspraak van de Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam van 15 september 2016 die op 18 januari 2017 is gepubliceerd (ECLI:NL: GHAMS:2016:4374).

De Douanekamer komt tot een geheel ander oordeel en oordeelt als volgt:

“4.6. De inspecteur beroept zich op het arrest van het Hof van Justitie van 16 juni 2016, EURO 2004, Hungary Kft., zaak C-291/15, naar het Hof begrijpt ter onderbouwing van zijn stelling dat ook bij een periodieke administratieve controle achteraf, op de voet van artikel 78 CDW, toepassing van artikel 181bis UCDW mogelijk is. Het Hof vermag dit niet uit genoemd arrest af te leiden. Uit de feiten van genoemd arrest en de vraagstelling van de verwijzende rechter blijkt immers dat in dat geval de goederen weliswaar waren vrijgegeven, maar dat de verificatie van de aangegeven transactiewaarde nog niet was afgerond. De feitelijke situatie welke aan genoemd arrest ten grondslag ligt is wezenlijk anders dan de situatie in het onderwerpelijke geschil. De inspecteur heeft in casu – anders dan de Hongaarse autoriteiten in genoemd arrest – de aangegeven transactiewaarde wel geaccepteerd en de desbetreffende goederen onvoorwaardelijk vrijgegeven, zonder gebruik te maken van de hem op grond van artikel 181bis, tweede lid, ten dienste staande mogelijkheid om aanvullende informatie te vragen.

4.7. Onder deze omstandigheden heeft te gelden dat naar de gewone regels van stellen en bewijzen op de inspecteur de last rust om aannemelijk te maken dat de aangegeven transactiewaarden onjuist zijn.”

Conclusie van de Douanekamer is aldus dat het arrest EURO 2000 Hungary Kft niet van toepassing is bij een CNI. Het arrest had immers betrekking op een situatie waarbij “de goederen weliswaar waren vrijgegeven, maar dat de verificatie van de aangegeven transactiewaarde nog niet was afgerond”. Daarom concludeert de Douanekamer dat de situaties wezenlijk anders zijn en het arrest dus niet moet worden toegepast.

Conclusie is dus dat het arrest EURO 2000 Hungary Kft niet van toepassing is bij een CNI.

Ik begrijp dat ook in deze zaak de Douane, althans de Staatssecretaris, het er niet bij heeft laat zitten en tegen deze uitspraak beroep in cassatie heeft ingediend. Vooralsnog lijkt echter toch het standpunt gerechtvaardigd dat er bestendige jurisprudentie is – van de Douanekamer – waaruit blijkt dat artikel 181bis TCDW niet kan worden gehanteerd bij een controle en boeking achteraf. Dat standpunt lijkt mij ook van toepassing voor de huidige bepalingen, namelijk artikel 140 UVo.DWU.

Gewone bewijslast: wat is dan voldoende bewijs?

Moraal van het verhaal, althans uit de uitspraken van de Douanekamer is dus dat in veel gevallen de Douane ten onrechte omkering van de bewijslast heeft toegepast en dat dus de normale bewijsverdeling van toepassing is. Ofwel, degene die wil afwijken, moet bewijzen. En als de Douane stelt dat een te lage douanewaarde is aangegeven, dan is het de Douane die dat moet bewijzen.

Het Gerechtshof Amsterdam heeft ook over de vraag wat voldoende bewijs is, recent een uitspraak gedaan (30  mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2161). In deze zaak ging het niet meer over de vraag of de procedures wel juist waren toegepast, want daarin heeft de inspecteur zich blijkbaar gewonnen gegeven. De inspecteur heeft in hoger beroep nog wel gesteld dat de omstandigheid dat de aangegeven transactiewaarden lager zijn dan bepaalde statistische waarden, op zichzelf reeds een voldoende grond vormt om de aangegeven douanewaarde niet te aanvaarden. De inspecteur verwijst in dit kader – uiteraard – naar het EURO 2004 Hungary Kft arrest.

Het Gerechtshof Amsterdam verwerpt het beroep van de inspecteur en stelt:

“Nu de inspecteur het instrument van artikel 181bis UCDW niet heeft gebruikt dient hij aannemelijk te maken dat de aangegeven douanewaarden onjuist zijn, welk bewijs hij niet heeft geleverd.”

Conclusie

De afgelopen jaren heeft de Douane vele UTB’s opgelegd omdat zij stelde dat de douanewaarde onjuist was en artikel 181bis TCDW toegepast. In veel gevallen had dit betrekking op situaties waarbij een controle achteraf – dus na einde verificatie – plaatsvond. Het lijkt er toch zeer sterk op dat deze handelwijze niet rechtmatig is. Ik stel bewust “lijkt”, omdat er nog een cassatieprocedure aanhangig is. De Douane zal dus in veel gevallen met de normale bewijspositie moeten aantonen dat de douanewaarde niet juist is. Zeker bij e-commerce-zendingen wordt dat nog een hele uitdaging. Het feit dat een product wel érg goedkoop is, zal niet voldoende zijn om de douanewaarde te verwerpen, althans niet bij een controle achteraf. Gevolg van deze jurisprudentie lijkt wel te zijn dat de verificatie van veel zendingen (e-commerce in het bijzonder) veel langer wordt aangehouden met alle risico’s voor de vertegenwoordiger van dien.

Meer informatie

Customs Knowledge adviseert en helpt u graag en professioneel om vast te stellen of de juiste douanewaarde wordt gehanteerd. Voor vragen of opmerkingen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Bart Boersma.

Hoewel aan de totstandkoming van deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaardt Customs Knowledge geen aansprakelijkheid voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch voor de gevolgen hiervan. Dit artikel is niet bedoeld als een specifiek advies. Zie in dit kader ook de Algemene Voorwaarden van Customs Knowledge BV.